Zienswijze mededeling EL&I startnotitie PlanMER tweede kerncentrale Borssele

GroenLinks Zeeland maakt gebruik van de geboden gelegenheid om een zienswijze in te dienen op de Inspraaknotitie Reikwijdte en Detail PlanMER (verder te noemen "startnota") van de minister van EL&I voor de bouw van een tweede kerncentrale te Borssele. De tekst van de zienswijze is verderop te lezen.

Bureau Energieprojecten
Inspraakpunt Tweede kerncentrale Borssele
Postbus 223
2250 AE VOORSCHOTEN

Middelburg, 10 januari 2012

Onderwerp:  Zienswijze mededeling EL&I startnotitie PlanMER tweede kerncentrale Borssele

Geachte heer, mevrouw,

Hierbij maken wij gebruik van de geboden gelegenheid onze zienswijze in te dienen op de Inspraaknotitie Reikwijdte en Detail PlanMER (verder te noemen “startnota“) van de minister van EL&I voor de bouw van een tweede kerncentrale te Borssele.

1. De startnota verwijst naar initiatieven van DELTA en ERH voor de bouw van een kerncentrale van 2.500 MW elk. Als aanleiding voor dit initiatief wordt verwezen (pg. 5) naar het "Energierapport 201"”. Dit rapport wordt ook kaderstellend genoemd (pg. 14). Als belangrijke argumenten worden daarbij gesteld: "Kernenergie zorgt voor een reductie van CO2-uitstoot…”, en: "Een kerncentrale stoot vrijwel geen CO2 uit en is daarmee een belangrijke overbrugging naar een duurzame energiehuishouding." Hierover merken wij het volgende op:

De kernenergiecyclus is erg energie-intensief. Met name bij de winning en verrijking van uraniumerts en bij de bouw en de ontmanteling van de centrale wordt veel energie verbruikt. Deze winning-, verrijking- en bouwprocessen gaan onvermijdelijk structureel gepaard met een forse CO2-uitstoot. Recente studies wijzen uit dat, afhankelijk van het percentage winbaar uranium in het erts en omgerekend naar het elektrisch productievermogen van een kerncentrale, deze CO2-uitstoot 100 tot 200 g/KWhe bedraagt. Dat komt overeen met ongeveer 25% tot 50% van de uitstoot van een gascentrale. In dit verband verwijzen wij bijvoorbeeld naar de recente studie “Analyse von Energiebilanz und CO2- Emissionen der Nuklearindustrie über den Lebenszyklus” 2011 van het Österreichisches Ökologie-Institut. Deze informatie wijkt bepalend af van hetgeen als de aanleiding voor het initiatief, en van hetgeen in het zogenaamde kaderstellende rapport als uitgangspunt wordt gebruikt.

Hiermee staat de basis van de startnota ter discussie. Het MER dient aan te geven wat de te verwachten CO2-emissie van een kerncentrale zal zijn als alle fases van de productie van kernenergie in hun samenhang worden beschouwd.

De overbrugging naar een duurzame energiehuishouding blijkt eveneens een relevante aanleiding te zijn voor het voornemen om nieuwe kerncentrales te bouwen. Wij zijn van mening dat, indien het voornemen een of meer kerncentrale(s) te bouwen het streven naar een samenleving met duurzame energieopwekking vertraagt en tegenwerkt, dit niet kan worden beschouwd als een acceptabele overbruggingstechniek. Basislastcentrales zetten een rem op investeringen in duurzame energieopwekking. Nieuw te bouwen kerncentrales zullen tot ver in deze eeuw operationeel blijven, waardoor zij de gestelde doelen voor een duurzame energiehuishouding zullen frustreren. Wij bepleiten dan ook onderzoek naar de validiteit van de aanleiding dat de realisatie van een kerncentrale kan worden aangemerkt als overbrugging naar een duurzame energiehuishouding.

Er bestaat bij deskundigen gerede twijfel over de noodzaak om de basislast in de Nederlandse  energievoorziening uit te breiden. De vraag die in het MER daarom beantwoord dient te worden is, of er in Nederland wel behoefte bestaat aan nieuwe basislast. Onzes inziens is daar geen ruimte voor.

Áls desondanks toch gekozen wordt voor uitbreiding van de basislast, dan dient als milieuvriendelijk alternatief in het MER ook een moderne vergassingscentrale met CO2-terugwinning of een gasgestookte centrale onderzocht te worden. Bij een gelijke CO2-uitstoot kan de overbruggingsperiode naar een duurzame energiehuishouding bekort worden van ca. 60 jaar (bij een kerncentrale) naar ca. 30 jaar (bij een gascentrale). Daarnaast heeft een gascentrale fundamentele voordelen op het gebied van veiligheid, afval, investeringsrisico’s en flexibiliteit.

2. Procedure
De startnota geeft een overzicht van “in elk geval te raadplegen bestuursorganen” (pg 11). Bij de recente kernramp in Fukushima is een straal van 20 km aangehouden die voor meerdere jaren niet meer bewoonbaar is. Wij vragen u dringend om alle gemeenten te raadplegen die geheel of gedeeltelijk binnen een straal van 20 km liggen. Naast de gemeenten Vlissingen en Borssele zijn dat Middelburg, Veere, Noord- Beveland, Goes, Kapelle, Reimerswaal, Terneuzen en Sluis.

3. Aansprakelijkheid kernongevallen
De startnota vermeldt het volgende: "Uitsluitend de exploitant van een kerninstallatie is aansprakelijk voor schade die is veroorzaakt door een kernongeval. Schuld van de exploitant is niet vereist. Op hem rust derhalve een exclusieve risicoaansprakelijkheid. Nieuwe kerncentrales zullen vanzelfsprekend aan deze wettelijke eisen van de Wako moeten voldoen. Een en ander betekent dat de betreffende exploitant in geval van een kernongeval aansprakelijk is tot een bedrag van maximaal 340 miljoen euro. Op grond van een nog niet in werking getreden wijziging van de Wako zal dit bedrag worden verhoogd naar 700 miljoen euro" (pg 16).

Wij wijzen er op dat bij een ernstige kernramp de schade fors hoger kan zijn dan 700 miljoen euro. Zo bedraagt de financiële schade in Fukushima vele honderden miljarden euro’s. In het MER dient te worden aangegeven wie voor de schade aansprakelijk is als deze meer bedraagt dan de bovengrens van de Wako, 340 of 700 miljoen euro. Ook dient te worden aangegeven dat de verantwoordelijke instanties of organisaties de plicht hebben tot het verzekeren van dit risico. Mocht dit niet mogelijk zijn dan dragen kennelijk de eigenaren van woningen, bedrijfspanden en -percelen en van landbouwgronden deze risico’s.

Zoals bekend zijn deze risico’s in reguliere verzekeringen uitgesloten en ook niet op andere wijze verzekerbaar. Indien (terecht) gesteld zou worden dat particulieren dit risico niet kunnen dragen dan dient de overheid het risico van een schadepost van vele miljarden te dragen. Het MER dient hierin duidelijkheid te verschaffen.

4. Eindberging radioactief afval
Wij verzoeken u in uw studie naar de eindberging te betrekken dat door beide initiatieven het aanbod van kernafval fors toeneemt en een en ander diverse consequenties (bergingslocatie, logistiek, financieel, etc.) heeft. Die consequenties dienen voor de meest relevante aspecten inzichtelijk te worden gemaakt. Geen enkele provincie in Nederland wil de eindberging binnen haar grenzen. Gelet op deze  ‘onmogelijkheid’ is het noodzaak daarover nu een standpunt in te nemen.
Het volgende als toelichting. Nergens ter wereld is nog een ondergrondse opslagplaats voor warmteproducerend hoogradioactief afval in bedrijf. Daarom wil de EU-commissaris van energie, Günther Oettinger, een richtlijn voor de eindberging van radioactief afval die nog dit jaar wordt vastgesteld. Via deze richtlijn moeten de landen aangeven wanneer ze willen beginnen met de opslag van het kernafval.

In een nieuwe ontwerprichtlijn stelt de Europese Commissie dat lidstaten hun eigen radioactief afval in eigen bodem dienen te bergen. De berging moet een definitief karakter hebben en plaatsvinden in diepe geologische lagen. Binnen vier jaar na het van kracht worden van de richtlijn moet Nederland, evenals de andere lidstaten, een nationaal programma opstellen. Dit moet voorstellen bevatten waar en wanneer in ons land gegenereerd hoog radioactief afval en gebruikte splijtstof definitief in de diepe ondergrond worden geborgen.

In de richtlijnen voor het MER van zowel het initiatief van Delta als dat van ERH wordt opgedragen om de verwerking van nucleair afval te beschrijven, inclusief de eindberging ervan.
De Nederlandse provincies huldigen het standpunt dat ondergrondse opslag, zonder dat het radioactief afval terugneembaar is, niet acceptabel is. Daarmee ligt het standpunt van het IPO in lijn met dat van de Nederlandse regering. Tijdens de infoavond radioactief afval van 7 december 2011 stelde de woordvoerder van de COVRA dat er geen sprake zal zijn van terugneembare opberging, omdat het bewuste afval bij de eindopberging geen enkel risico vormt.

5. Locatiekeuze
De startnota meldt als voordeel: "…dat voor de locatie Borssele kan worden aangevoerd is het relatief grote maatschappelijk draagvlak (in de gemeente Borsele en in de provincie Zeeland)" (pg 27). Deze stelling is onjuist. Uit meerdere onderzoeken van uiteenlopende bureaus en opdrachtgevers blijkt dit niet. Niet voor Zeeland en niet voor de gemeente Borsele. Wel wijkt de (veel kleinere) kern Borssele af van het algemene beeld. Of bij de onderzoeken de volle omvang van de initiatieven duidelijk in de vraagstelling is verwoord, mag worden betwijfeld. Zo is de mogelijkheid van koeltorens nauwelijks bekend en bestaat er een (onterechte) brede overtuiging dat er een tweede kerncentrale bijkomt die qua aard en omvang vergelijkbaar is met de bestaande. Overigens blijkt uit de onderzoeken systematisch dat een overgrote meerderheid van de ondervraagden voorstander is van duurzame energieopwekking.

De startnota vermeldt het volgende: "Op basis van de beschikbare centraletypen die voldoen aan de veiligheidseisen en voorwaarden van de initiatiefnemers geeft Arcadis aan dat een terrein beschikbaar dient te zijn van minimaal 20 tot 25 ha" (pg 28). Elders (pg 28) staat: "Met aanvullende voorzieningen is een minimale oppervlakte van 15 tot 20 ha noodzakelijk. Afhankelijk van het definitieve programma en de situering van de locatie kan nog meer ruimte nodig zijn. Voor het afbakenen van de onderzoekslocaties wordt als minimale maat een oppervlakte van 15 ha aangehouden" (pg 29). Onduidelijk is waarop deze lagere raming is gebaseerd. Deze oppervlakte is exclusief de ruimte die mogelijk nodig is voor koeltorens.

Voor koeltorens wordt een oppervlakte geraamd van 27 tot 31 ha. De vestiging van de centrale inclusief koeltorens vraagt derhalve een ruimtebeslag van 47 tot 56 ha. Alleen onderzoekslocaties K3 en K6 bieden deze ruimte.

De startnota voorziet de noodzaak van een tijdelijk werk- en opslagterrein met een omvang van 25 tot 50 ha. Hiervoor zijn drie onderzoekslocaties gekozen welke buiten het huidige industrieterrein Sloegebied, en daarmee dichter bij de woonomgeving liggen. Gezien de milieubelastende activiteiten zoals een betoncentrale en de verkeersbewegingen dient in het MER te worden gezocht naar een locatie binnen de huidige industriële bestemming. Het ligt voor de hand hiervoor één van de potentiële onderzoekslocaties voor de bouw te benutten. Mocht toch een locatie buiten de industriële bestemming worden gekozen dan dient in het MER de beoogde gebruiksduur van dit terrein te worden aangegeven. Ook dienen daarbij voorzieningen te worden gesteld die na dit tijdelijke gebruik het herstel van de oorspronkelijke toestand regelen.

De dijken in Zeeland en in het bijzonder bij de beoogde locatie voor de kerncentrale hebben een risicofactor van 1 : 4000. Voor de kerncentrale bedraagt deze 1 : 1.000.000. De kerncentrale loopt dus een groter risico dan de eigen veiligheid. Alleen al vanwege deze tegenstrijdigheid is de locatie ongeschikt!

6. Koeling
Bij een rendement van ca 40% en een opgesteld elektrisch vermogen van 2.500 MW zal een energetisch vermogen als afvalwarmte moeten worden afgevoerd dat overeenkomt met, ruw geraamd, 3.750 MW. Dit wordt via doorstroomkoeling geloosd naar de Westerschelde en/of met behulp van koeltorens naar de lucht. Voorafgaand aan de locatiekeuze dient onderzocht te worden wat de meest veilige koelmethode is: doorstroomkoeling met water, koeling naar de lucht met natuurlijke trek, of koeling met hybride koeltorens. Ook dient aan de orde te komen of de veiligheid relevant toeneemt met twee parallelle systemen en wat de bedrijfszekerheid is van de gekozen koelmethode en de consequenties hiervan op de veiligheid. Hierbij dienen mogelijke storingen en beperkingen in het watercirculatiesysteem onderzocht te worden.

Bij lozing op de Westerschelde zal het MER moeten aangeven wat de risico’s zijn voor de ecologie van de Westerschelde. Hierbij wijzen wij er op dat volgens het voormalige ministerie LNV het ecologisch systeem van de Westerschelde in slechte staat van instandhouding verkeert. In dit verband nemen wij in het bijzonder nota van de constatering in de startnota (pg 22): "De vergunning wordt alleen verleend wanneer op grond van een zogenaamde Passende Beoordeling kan worden vastgesteld dat de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zullen worden aangetast in het licht van de instandhoudingsdoelstellingen."

Daarnaast dient het MER aan te geven of de bestaande kansen en mogelijkheden voor de zo nodige verbetering van het ecologisch systeem van de Westerschelde door het initiatief worden ingeperkt of belemmerd. Bij het onderzoek dienen ook cumulatieve effecten te worden meegenomen. Bij koeling naar de lucht dient onderzocht te worden welke effecten de warmtebelasting heeft op de omgeving. Invloed hiervan op het lokale klimaat is denkbaar, waarbij cumulatieve effecten met andere grote warmtelozingen mogelijk aan de orde zijn. Koeltorens met natuurlijke trek hebben volgens de startnota "… landschappelijk grote gevolgen voor de omgeving" (pg 29). Er zouden 6 koeltorens nodig zijn met een hoogte van 130m (pg 29). De koeltorens van de kerncentrales in Doel zijn 170 m hoog en vanaf tientallen kilometers zichtbaar. Boven de koeltorens hangt meestal een condenspluim die nog vele tientallen meters hoger reikt en zich over honderden meters tot kilometers verspreidt. Ook deze condenspluim dient bij de landschappelijke effecten te worden betrokken. Bij toepassing van de, lagere, hybride koeltorens dient dit pluimeffect ook te worden onderzocht en tevens beoordeeld te worden op aspecten van overlast en gezondheidsrisico’s zoals legionella.

7. Cumulatie van radioactiviteit
Het Sloegebied en de directe omgeving kent de hoogste belasting met radioactiviteit in Nederland. Het initiatief zal een verdere verhoging met zich brengen van de totale emissie aan radioactiviteit in het Sloegebied. Er zijn momenteel diverse radioactieve bronnen, zoals de KCB 1, de COVRA, Thermphos en Heerema, die een zekere dosis emitteren. Wij willen niet alleen inzicht in de cumulatie en de risico’s van deze huidige, gecumuleerde blootstelling voor mensen die wonen en werken in de omgeving van het Sloegebied, maar het is tevens van belang aan te geven welke aanvullende, ongewenste gevolgen de beide geplande kerncentrales met zich brengen ten aanzien van het risico van de blootstelling én de kans dat deze zich voordoen (kans op verhoogde tumorinductie).

Voorts willen wij u wijzen op het gestelde in art. 7.27, lid 2 Wm: "Het bevoegd gezag neemt een besluit evenmin, indien de gegevens die in het milieu-effectrapport zijn opgenomen, redelijkerwijs niet meer aan het besluit ten grondslag kunnen worden gelegd in verband met aanmerkelijke wijziging van de omstandigheden waarvan bij het maken van het milieu-effectrapport is uitgegaan."
Er zijn tenminste twee belangrijke ontwikkelingen die een aanmerkelijke wijziging van de omstandigheden hebben bewerkstelligd. Ten eerste Fukushima, dit behoeft geen nadere toelichting en ten tweede: het afhaken van Delta NV. Van die zijde is er geen initiatief meer! Het zogenaamde initiatief van ERH kan onzes inziens beschouwd worden als power-play zonder –tot op heden- enige onderbouwing. Ook ERH heeft geen financiering en geen beoogd exploitant. Met andere woorden het is een fake-initiatief.

Tenslotte is de door u gedachte locatie tevens medebestemd voor de door het college van GS van Zeeland gewenste aanleg van de Westerschelde Container Terminal (WCT). Dit geeft conflicterende situaties met betrekking tot de koelwaterlozing, de benodigde ruimte voor het WCT terrein en de risicospreiding.

Wij vertrouwen er op dat u onze opmerkingen zult betrekken bij de verdere procedure.

Hoogachtend,
GroenLinks Zeeland,

M. Wiersma, voorzitter
p/a Postbus 54
4330 AB  Middelburg

-----------------------------------------------------------------------------------------------------------------

In de media:

PZC 11 jan. 2012 | Twijfel over draagvlak voor Borssele 2:
http://www.pzc.nl/regio/zeeland/10236416/Twijfel-over-draagvlak-voor-Bor...

Knack.be (de krant van West-Vlaanderen) 12 jan. 2012 : West-Vlaamse groenen kanten zich tegen tweede kerncentrale in Zeeland: bit.ly/wQFdKij

de Volkskrant 15 jan. 2012 | Duitsland verzet zich tegen nwe kerncentrale in Borssele: http://t.co/j4rEEYcE