Antwoorden op vragen nav zienswijzen Brouwerseiland

Uit de ingediende zienswijzen tegen Brouwerseiland blijkt dat wat Schouwen-Duiveland wil, niet kan: “het ontwerpbestemmingsplan is in strijd met de VRPZ, het Barro, het Bro en de Nb-wet en FF-wet. Het heeft significante gevolgen voor de natuur en het landschap en kan derhalve geen stand houden.” Bovendien past Brouwerseiland niet in de (concept) Zeeuwse Kustvisie. Gerwi Temmink stelde op 12 januari jl. vragen. GS anwoorden als volgt:

Toelichting

De inspraakprocedure voor ontwerpbestemmingsplan Brouwerseiland is onlangs gesloten. Uit de daartegen ingediende zienswijzen van een coalitie bestaande uit Natuurmonumenten, de Zeeuwse Milieufederatie, stichting Duinbehoud, en Natuur- en Milieufederatie Zuid-Holland - in te zien via de website van Bescherm de kust* - en Natuur- en Vogelwacht Schouwen-Duiveland (NVSD)** maken we op dat met de eerdere zienswijze op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 (Nb-wet) d.d. 10 september 2016 niets is gedaan.

Uit wat geformuleerd staat in de zienswijzen blijkt dat wat de gemeente Schouwen-Duiveland wil, niet zou kunnen, want: “het ontwerpbestemmingsplan is in strijd met de VRPZ, het Barro, het Bro en de Nb-wet en FF-wet. Het heeft significante gevolgen voor de natuur en het landschap en kan derhalve geen stand houden.” Bovendien past het plan Brouwerseiland niet in de (concept) Zeeuwse Kustvisie.

Hoewel GroenLinks beseft dat deze zienswijzen zijn bedoeld voor de gemeente Schouwen-Duiveland, gericht op het ontwerpbestemmingsplan en het omgevingsrecht Brouwerseiland, bevatten deze aspecten die te maken hebben met de vergunning die het college van Gedeputeerde Staten op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 heeft afgegeven op 6 december jl. en die volgens deze zienswijzen nooit had mogen worden afgeven op grond van die wet. GroenLinks heeft hierover destijds vragen gesteld.

Bij GroenLinks roept dit de volgende vragen op:

  1. Uit uw beantwoording op onze eerste twee vragen van 24 oktober jl. blijkt dat GS van mening zijn dat voldoende is aangetoond dat er geen sprake zal zijn van significant negatieve effecten op de Natura2000-waarden en dat onderzoek op grond van artikel 19g uit de Natuurbeschermings¬wet niet nodig was. Uit bovenstaande zienswijzen (en de m.e.r.) blijkt echter dat dit artikel wel degelijk van toepassing is. Hoe verklaren GS het verschil van mening met dit onderbouwde deel van de zienswijze? Welke overwegingen lagen er aan ten grondslag om zonder zo’n onderzoek als GS toch een vergunning te verschaffen?
    Aan de vergunningaanvraag liggen verschillende onderzoeken ten grondslag. Tezamen vormen deze onderzoeken de passende beoordeling. Uit deze passende beoordeling is gebleken dat de aanleg, bouw en exploitatie van Brouwerseiland niet leidt tot aantasting van de natuurlijke kenmerken van de te beschermen natuurgebieden. Dit betekent dat de gevraagde vergunning kon worden verleend. Artikel 19g van de Natuurbeschermingswet 1998 (de ADC-toets) is pas van toepassing indien door het bevoegde gezag wordt vastgesteld dat het project leidt tot significante-negatieve effecten op de te beschermen natuurwaarden die niet kunnen worden gemitigeerd. Aangezien hiervan naar het oordeel van gedeputeerde staten geen sprake is, is het in artikel 19g bedoelde onderzoek niet nodig.
  2. Uit de beantwoording op onze vierde vraag blijkt dat GS menen dat de toename van stikstofdepositie minder zal zijn dan de drempelwaarde van 0,05 mol/ha/jaar en derhalve geldt als een Passende Beoordeling in het kader van de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS).  Volgens bovenstaande zienswijzen is dit op deze manier niet voldoende aangetoond. De PAS zou hier ook niet op die manier voor gebruikt mogen worden. Want op grond van art. 6 lid 3 van de Habitatrichtlijnen (HRL) en art. 19g van de Wet natuurbescherming 1998 zou er sowieso een individuele toetsing nodig zijn. Temeer omdat er geen sprake is van mitigatie maar van compensatie. Kunnen GS deze opvattingen weerleggen? En kunnen GS aangeven welke overwegingen er aan ten grondslag lagen dat GS toch akkoord zijn gegaan zonder zo’n individuele toetsing?
    De Programmatische Aanpak Stikstof regelt dat voor activiteiten die stikstofdeposities veroorzaken met een drempelwaarde van 0,05 mol/ha/jaar geen vergunningplicht geldt. Dit betekent dat geen aparte passende beoordeling dient te worden uitgevoerd voor het beoordelen van de activiteit, voor zover het betreft de effecten van de stikstofdepositie. De PAS geeft overigens invulling aan het eerste en tweede lid van artikel 6 van de Habitatrichtlijn, zodoende wordt niet aan het derde lid van dit artikel toegekomen. Zoals GroenLinks zelf aangeeft is de PAS de passende beoordeling die ten grondslag ligt aan het oordeel dat geen vergunning nodig is bij activiteiten die een stikstofdepositie veroorzaken van kleiner of gelijk aan 0,05 mol/ha/jaar. Dit betekent dat gedeputeerde staten bij het beoordelen van de vergunningaanvraag uitgaan van dit kader en daar aan hebben getoetst. De vergunningenprocedure voor Brouwerseiland is niet de procedure om de in de PAS neergelegde kaders ter discussie te stellen.
  3. Zijn GS bekend met vergelijkbare jurisprudentie die er op wijst dat de Raad van State de vergunning tegenhoudt (o.a. A2 arrest, zie: ECLI:NL:RVS:2015:3882 Raad van State, 16-12-2015, 201111560/2/A2)? Zo ja, is dit voor GS een reden nog eens naar de vergunning te kijken? De NVSD heeft immers al aangekondigd desnoods naar de Raad van State te gaan.
    Gedeputeerde staten zijn bekend met deze jurisprudentie. Bij het beoordelen van de aanvraag, is de aanvraag getoetst aan het wettelijk kader en de geldende jurisprudentie. Er is dus geen reden om de vergunning nog eens tegen het licht te houden.
  4. Wanneer mocht blijken dat de vergunning onterecht is verleend door GS, is er dan sprake van juridische en financiële gevolgen voor de provincie? Zo ja, waaruit bestaan die dan?
    Bij een eventuele vernietiging van de verleende Nbw-vergunning door de rechter zal de provincie veroordeeld worden tot het vergoeden van door appellanten gemaakte proceskosten. Of er verdere juridische en/of financiële gevolgen zijn, en welke, valt op voorhand niet te zeggen en is afhankelijk van de inhoudelijke overwegingen die de rechter maakt.
  5. Wat zijn de juridische en financiële gevolgen in zijn algemeenheid wanneer Brouwerseiland niet doorgaat en voor wie zijn die?
    Dit valt op voorhand niet te zeggen en is afhankelijk van de uitspraak van de rechter.
  6. Wat zijn de mogelijkheden om Brouwerseiland nu te stoppen, zodat de financiële en juridische gevolgen nog te overzien zijn – ‘beter ten halve gekeerd dan ten hele gedwaald’?
    Vooropgesteld dat gedeputeerde staten geen reden zien om het project   Brouwerseiland te stoppen, kan de door gedeputeerde staten verleende vergunning  worden ingetrokken of gewijzigd indien sprake is van een van de gronden zoals genoemd in artikel 43, tweede lid van de Natuurbeschermingswet 1998/  artikel 5.4, eerste en tweede lid van de Wet natuurbescherming. Geen van deze gevallen is in het kader van de vergunningprocedure voor het project Brouwerseiland aan de orde.
  7. Zijn GS bereid deze mogelijkheden te benutten?
    Gedeputeerde Staten zijn niet bereid deze mogelijkheden te benutten.
*      https://beschermdekust.nl/zienswijze-brouwerseiland/
**    http://nvsd.nl/nvsd-zienswijze-ontw-best-pl-brouwerseiland/
 

In de media:

PZC: Provincie ziet geen reden voor stop Brouwerseiland
PZC: GroenLinks: wat kost verbod Brouwerseiland?