In de raadsvergadering van Noord-Beveland van 24 november jl. werd voorgesteld in te stemmen met het voornemen van het college om met de Zeeuwse Lagune B.V. (…) de ‘Overeenkomst verplaatsing restaurant Vrouwe in den Polder’ aan te gaan. Dat neigt naar een vorm van delegatie die de wet niet kent. Voorzitter Leen Harpe reageert op deze gang van zaken met een brief aan de gemeenteraad:

Aan de gemeenteraad Noord-Beveland

Postbus 3

4490 AA  Wissenkerke

Onderwerp: ‘besluitvorming’ raadsvoorstel Veerse Dam

Geachte dames en heren, leden van de gemeenteraad,

De informatieve raadsvergadering van 10 november jl. heb ik met veel genoegen bijgewoond. Ik heb het ervaren als een levendig en waardig debat. Dat gevoel is na de besluitvormende raadsvergadering van afgelopen donderdag nagenoeg geheel verdwenen. Gaandeweg de informatieve raad werd duidelijk dat het bestemmingsplan eerst over een paar maanden in uw raad behandeld zou kunnen worden. Afgelopen donderdag werd dat bijgesteld tot waarschijnlijk na de zomervakantie. Wat restte was slechts de zgn. anterieure overeenkomst. Voorgesteld werd in te stemmen met het voornemen van het college om met de Zeeuwse Lagune B.V. (…) de ‘Overeenkomst verplaatsing restaurant Vrouwe in den Polder’ aan te gaan. Dat neigt naar een vorm van delegatie die de wet niet kent. De facto laat het college de raad instemmen met de overeenkomst. Het college lijkt uit te zijn op een trucage door in punt 1 van de overeenkomst de burgemeester te noemen, maar de ondertekening overlaat aan de heer P.L. de Putter.

Een anterieure (privaatrechtelijke) overeenkomst heeft tot doel het vastleggen van afspraken tussen een gemeente en een particuliere partij over het ontwikkelen van een bepaald perceel.

De ABRvS oordeelde eind 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BY3067 ) dat een anterieure overeenkomst niet kan leiden tot een plicht voor de gemeenteraad om een planregel vast te stellen die de raad niet in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening zou achten. Enfin leest u zelf de beschouwing op: http://www.straatmankoster.nl/nl/kennis-delen/blog/omgevingsrecht/de-ro… “De hier besproken uitspraak van de ABRvS lijkt ontwikkelaars dus meer ruimte te bieden dan voorheen om – met succes – een beroep te doen op een met de gemeente gesloten samenwerkingsovereenkomst.” De vraag kan gesteld worden, waarom er in deze geen gebruik is gemaakt van ‘het instrument’ posterieure overeenkomst.

Wat mij zeer verbaasde is dat het college de privaatrechtelijke overeenkomst in feite ter besluitvorming aan uw raad heeft voorgelegd. Bent u wel bevoegd om te besluiten over een dergelijke rechtshandeling? De gemeentewet legt in art. 160, lid 1, sub e die bevoegdheid nadrukkelijk bij het college neer. Art. 169, lid 4* pleit ervoor, dat u slechts een zienswijze (”zijn wensen en bedenkingen”) over de anterieure overeenkomst zou kunnen geven. Een stemming ‘voor of tegen’ kan dan niet aan de orde zijn.

Ik kan mij niet aan de indruk onttrekken dat het college u verleidt tot een détournement. Het is in strijd met artikel 3:3 van de Algemene wet bestuursrecht: "Het bestuursorgaan gebruikt de bevoegdheid tot het nemen van een besluit niet voor een ander doel dan waarvoor die bevoegdheid is verleend." Kortom ik meen u te moeten betwisten dat u in deze de besluitvormende bevoegdheid heeft, te oordelen over de anterieure overeenkomst.

Hoogachtend,

L. Harpe,

Voorzitter GroenLinks Zeeland

*: In het laatste geval neemt het college geen besluit dan nadat de raad in de gelegenheid is gesteld zijn wensen en bedenkingen ter kennis van het college te brengen.