Fiscale boete

De rechtbank in Breda heeft het beroep van de provincie Zeeland tegen de VUT-heffing afgewezen. Gedeputeerde Van Heukelom heeft zich aan het begin van deze beleidsperiode optimistisch getoond over kwijtschelding van het bedrag van € 16 mln. Nu dat voorshands niet het geval is, heeft de provincie door de NAR-regeling geen voordeel behaald.  Leen Harpe stelde op 27 februari jl. vragen; GS antwoorden:

 

[vervolg toelichting]

De gemaakte - en nog te maken - kosten zijn nagenoeg gelijk aan de kosten van ‘normaal uittreden’. Uit financieel oogpunt is de gehele operatie onnodig geweest en had de noodzakelijke formatiereductie ook zonder NAR-regeling plaats kunnen vinden. Alleen de verkoop van een aantal (leegstaande) gebouwen zou dan enigszins vertraagd zijn.

Vragen

  1. De uitspraak van de rechtbank is gedaan op 22 januari 2015. Waarom heeft u dat niet direct met de Staten gedeeld?
    De feitelijke situatie is niet veranderd door de uitspraak van de rechtbank: de opgelegde heffing is in stand gebleven. Er is dus geen nieuwe situatie ontstaan, die direct gemeld zou moeten worden.
  2. In de uitspraak ro 4.2 staat: “Belanghebbende stelt dat zij in 2010 geconfronteerd werd met het gegeven dat zij in de toekomst aanzienlijk lagere uitkeringen uit het [fonds] zou ontvangen. Derhalve moest drastisch worden bezuinigd.” In het collegeprogramma[i] wordt daar met geen woord over gerept. Hoe verklaart u dat?
    De functie van een collegeprogramma is niet primair juridisch, maar politiek: een aantal fracties zet daarin de hoofdlijnen van hun gezamenlijke koers voor de komende periode uiteen. Niet elke overweging op elk  dossier staat daar in, laat staan elk argument dat ooit in een rechtszaak zou kunnen worden ingebracht.
  3. In het collegeprogramma is geen strafheffing voorzien. Dat is ook logisch, gelet op uw voornemen om medewerkers te begeleiden naar ander werk. Wanneer en waarom heeft u – in afwijking van het collegeprogramma - besloten tot de NAR-regeling? Kende u de consequenties toen?
    Uitgangspunt voor de reorganisatie was, zoals in het collegeprogramma is aangegeven, zo weinig mogelijk gedwongen ontslagen (pag 13). Wij zien niet in dat de NAR-regeling strijdig zou zijn met dat
    uitgangspunt. Wij hebben de NAR-regeling vastgesteld bij besluit van 6 maart 2012. Wij waren op dat moment op de hoogte van de opvatting van de fiscus dat dan een heffing verschuldigd zou zijn. Die heffing is
    meegenomen in onze afweging. Overigens merken wij op dat formeel-juridisch de consequenties nog steeds niet vast staan, zolang er geen uitspraak van de Hoge Raad is.
  4. Voor de rechtbank stelt u: “Ook was het vanuit organisatorisch oogpunt het beste om in plaats daarvan voor de onderhavige regeling te kiezen.” Hoe verklaart u dit gelet op het gestelde in het collegeprogramma?
    In het collegeprogramma is opgenomen dat er op 1 januari 2012 een plan voor de nieuwe organisatie zou liggen. Het plan is gemaakt na het opstellen van het collegeprogramma. Ook hier zien wij niet dat het plan in strijd zou zijn met het collegeprogramma.
 

[i] 3. “Het college zal zich inspannen om (…) medewerkers op een goede, zorgvuldige wijze te begeleiden (…) naar een andere werksituatie (…). Het college zal zelf leiding geven aan deze verandering en reserveert hiervoor de nodige financiële middelen.”

Zie ook:

20 februari 2012: Brief aan GS met voorstel extra Statenvergadering
08 maart 2012: Motie 57+
16 maart: Persbericht over de zg. 57+ -maatregel
06 april: Advies over de 57+ -maatregel
20 april 2012: Debat 57+ en motie van wantrouwen